B werkt in dienstbetrekking bij een Nederlandse werkgever. Hij neemt ontslag en emigreert in augustus 1993 naar de VS. Het gehele jaar 1994 studeert B daar. De kosten van de studie zijn aan te merken als studiekosten in de zin van art. 46 IB.
In januari 1994 ontvangt B een ontslaguitkering van zijn Nederlandse ex-werkgever. In mei 1994 volgt nog een winstuitkering.
De inspecteur heeft het belastbaar binnenlands inkomen vastgesteld zonder de studiekosten in aftrek toe te laten. Daarbij past hij tariefgroep 2 toe. Volgens de inspecteur was B in 1994 slechts buitenlands belastingplichtig op de twee momenten waarop hij de ontslaguitkering en de winstuitkering ontving.
In dit geding staat centraal de interpretatie van resolutie DB91/481 (BNB 1991/172). Dit is een tegemoetkoming voor buitenlands belastingplichtigen, van wie het onzuivere wereldinkomen nagenoeg geheel (90%) aan de Nederlandse inkomstenbelasting is onderworpen.
In geschil is of B op grond van genoemde resolutie recht heeft op:
Volgens art. 1 IB zijn natuurlijke personen die in het buitenland wonen en inkomen genieten uit Nederland onderworpen aan de inkomstenbelasting (buitenlands belastingplichtigen). Of iemand die in het buitenland woont in Nederland is aan te merken als buitenlands belastingplichtige, reikt niet verder dan het beantwoorden van de vraag of die persoon in beginsel aan de inkomstenbelasting is onderworpen.
Subjectieve (buitenlandse) belastingplicht is dus aanwezig zodra en zolang de persoon die in het buitenland woont binnenlands inkomen geniet.
Om aan te nemen dat een natuurlijk persoon binnenlands inkomen geniet is in elk geval niet nodig dat aan deze persoon voortdurend of regelmatig binnenlandse inkomsten toevloeien. Het is voldoende dat hem/haar in de nabije toekomst stellig of naar verwachting binnenlands inkomen zal toevloeien.
Wat moet worden verstaan onder 'binnenlands inkomen' in de zin van art. 1 IB is te vinden in art. 49 IB, in samenhang met art. 48, lid 3 IB. Daartoe behoren in ieder geval de inkomsten uit arbeid die B van zijn voormalig werkgever heeft ontvangen.
B heeft dus in 1994 binnenlands inkomen genoten. Er kan van uit worden gegaan dat hij recht had op deze inkomsten. B was dus gedurende geheel 1994 buitenlands belastingplichtig. Dit brengt mee dat het belastbaar inkomen moet worden verminderd met de buitengewone lasten/studiekosten en dat tariefgroep 3 moet worden toegepast.
De Staatssecretaris heeft geen beroep in cassatie ingesteld. Het hof heeft geoordeeld dat voor de beantwoording van de vraag of iemand binnenlands inkomen geniet voldoende is dat iemand stellig of naar verwachting binnenlands inkomen zal toevloeien. Dit berust naar het oordeel van de Staatssecretaris niet op een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel van het hof dat B recht had op deze inkomsten, brengt mee dat in geheel 1994 een verwachting als hierboven bedoeld aanwezig was. Dit oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het hof heeft daarom met juistheid geconcludeerd dat B recht heeft op toepassing van de 90% regeling.