Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en inwoner van Spanje, geniet een AOW-uitkering, een ABP-pensioen en een pensioen van het Ministerie van Defensie. Zijn onzuivere wereldinkomen is voor minder dan 90% daadwerkelijk onderworpen aan Nederlandse belasting, waardoor toepassing van de zogenaamde 90%-regeling achterwege blijft.
Het Hof in Den Bosch meent dat het buiten toepassing blijven van de 90%-regeling niet in strijd is met art. 48 en 52 EG-Verdrag, gezien belanghebbendes Nederlandse nationaliteit en Spaanse inwonerschap. Er is evenmin strijd met art. 14 EVRM, omdat het uitsluiten van de kans op dubbele fiscale tegemoetkomingen een objectieve en redelijke rechtvaardiging is.
Het geschil betreft de aanslag inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen over het jaar 1990.
Mondelinge uitspraak
Gronden
1. Tussen partijen staat het volgende vast. Belanghebbende, geboren in 1917, is gehuwd, heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde in het onderhavige jaar in Spanje. Belanghebbendes inkomen bestond in het onderhavige jaar uit een AOW-uitkering, een ABP-pensioen en een pensioen van het Ministerie van Defensie. Met betrekking tot de AOW-uitkering en 57,5% van het ABP-pensioen is de belastingheffing toegewezen aan Spanje, voor de overige inkomsten is de belastingheffing toegewezen aan Nederland. Het onzuivere wereldinkomen van belanghebbende is niet voor ten minste 90% in Nederland daadwerkelijk onderworpen aan de heffing van loonbelasting en/of inkomstenbelasting.
2. Het geschil betreft, naar het Hof uit de van belanghebbende afkomstige stukken begrijpt, het antwoord op de volgende vragen.
2.1. Is de 90%-regeling (Resolutie van de staatssecretaris van Financid n van 28 december 1989, nr. DB89/2184, BNB 1990/100, gewijzigd bij Resolutie van 11 maart 1991, DB91/481, BNB 1991/172) in strijd met het recht op vrij verkeer als werknemer en het recht op vrije vestiging als bedoeld in de artikelen 48, eerste en tweede lid, en 52 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EEG-Verdrag)?
2.2. Is de 90%-regeling in strijd met het discriminatieverbod als is bedoeld in artikel 14 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM)?
3. Blijkens het tweede lid van artikel 48 van het EEG-Verdrag houdt het recht op vrij verkeer als werknemer de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der Lid-Staten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden. Blijkens de tweede alinea van artikel 52 van het EEG-Verdrag omvat de vrijheid van vestiging de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.
4. Uit het arrest Hof van Justitie EEG 26 januari 1993, zaak 112/91 (Werner), volgt dat de artikelen 48 en 52 van het EEG-Verdrag in verbinding met artikel 7, tweede lid, Verordening (EEG) nr. 1612/68 er niet aan in de weg staan dat een Lid-Staat een eigen onderdaan zwaarder belast wanneer deze niet in deze staat woont dan wanneer deze daar wel woont. Reeds hierom is in dit geval van strijd met de artikelen 48 en 52 EEG-Verdrag geen sprake.
5. Blijkens de tweede alinea van artikel 52 van het EEG-Verdrag heeft het artikel betrekking op de regelgeving van het land van vestiging. Nu belanghebbende in het onderhavige jaar in Spanje woonde heeft het artikel wat belanghebbende betreft alleen betrekking op de Spaanse regelgeving en niet op de 90%-regeling, die immers door de Nederlandse staatssecretaris van Financid n is uitgevaardigd. Van strijd met het recht op vrije vestiging als bedoeld in artikel 52 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap kan derhalve geen sprake zijn.
6. Uit het in 4 en 5 overwogene volgt dat vraag 2.1 ontkennend moet worden beantwoord.
7. De 90%-regeling maakt geen onderscheid naar nationaliteit. Zij stelt wel als eis dat het onzuivere wereldinkomen van de buitenlandse belastingplichtige voor ten minste 90% in Nederland daadwerkelijk is onderworpen aan de heffing van loonbelasting en/of inkomstenbelasting.
Voor het door die eis gemaakte onderscheid met buitenlandse belastingplichtigen wier onzuivere wereldinkomen niet voor ten minste 90% in Nederland daadwerkelijk is onderworpen aan de heffing van loonbelasting en/of inkomstenbelasting - aan wie de in de 90%-regeling neergelegde tegemoetkomingen worden onthouden - bestaat een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Immers, vanwege de kans dat een buitenlandse belastingplichtige fiscale tegemoetkomingen zoals verleend bij de 90%-regeling ook - en ten volle - geldend kan maken in het land waar hij woont met betrekking tot het daar aan de heffing van loonbelasting en/of inkomstenbelasting onderworpen inkomen, is het ter voorkoming van een fiscale overbedeling van buitenlandse belastingplichtigen ten opzichte van binnenlandse belastingplichtigen redelijk dat die tegemoetkomingen slechts worden verleend aan buitenlandse belastingplichtigen wier inkomen geheel of nagenoeg geheel in Nederland aan belasting is onderworpen. Daargelaten dat artikel 14 EVRM slechts betrekking heeft op de rechten en vrijheden welke in dat verdrag zijn vermeld, moet op vorenstaande gronden ook vraag 2.2 ontkennend worden beantwoord.