Goedkeuring dat buitenlandse belastingplichtigen wier onzuivere "wereldinkomen" voor tenminste 90% aan Nederlandse loon- en inkomstenbelasting is onderworpen bij het bepalen van hun binnenlandse inkomen mede rekening houden met bepaalde persoonlijke verplichtingen en buitengewone lasten.
Inzake bovenvermeld onderwerp heeft de Staatssecretaris de volgende aanschrijving tot de directeurs gericht.
1. Het is mij gebleken dat de in art. 48 IB '64 neergelegde beperkte aftrekmogelijkheid wegens persoonlijke verplichtingen en de afwezigheid van een mogelijkheid tot aftrek van buitengewone lasten voor buitenlandse belastingplichtigen wier inkomen nagenoeg geheel aan de Nederlandse inkomstenbelasting is onderworpen, tot onbevredigende situaties kunnen leiden.
Dit speelt zowel ten aanzien van in het buitenland wonende belastingplichtigen die binnenlands inkomen genieten, als ten opzichte van in Nederland verblijvende, uit het buitenland afkomstige, werknemers wier gezin in het buitenland woont (vgl. de resolutie van 29 juli 1971, B 71/13814, IB '65-281 punt c). Van verschillende zijden is voor deze gevallen mijn aandacht gevraagd, terwijl mij voorts vele verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule hebben bereikt. In verband met het vorenstaande heb ik aanleiding gevonden met toepassing van art. 63 AWR de volgende regeling te treffen.
2. Ik keur goed dat de Inspecteur der directe belastingen (buitenlanders) te Heerlen bij de heffing van de inkomstenbelasting van degenen die het gehele jaar buitenlands belastingplichtig zijn en wier onzuivere wereld-inkomen voor tenminste 90% in Nederland aan de heffing van loon- en/of inkomstenbelasting onderworpen is, bij het bepalen van het belastbare binnenlandse inkomen mede rekening houdt met de volgende aantoonbare uitgaven:
a. periodieke uitkeringen en verstrekkingen welke rechtstreeks uit het familierecht voortvloeien voorzover zij toekomen aan de gewezen echtgenoot, dan wel aan de echtgenoot van wie de belastingplichtige duurzaam gescheiden leeft;
b. afkoopsommen ter zake van de verplichting tot voorziening in het levensonderhoud van de gewezen echtgenoot;
c. uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van eigen en aangehuwde kinderen en pleegkinderen, die jonger dan 27 jaar zijn en voor wie de belastingplichtige geen recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet heeft, met inachtneming van de op grond van art. 46 lid 2 IB '64 met betrekking tot die uitgaven vastgestelde bedragen en verder gegeven regels; hierbij merk ik op dat bij de bepaling van de mate waarin de kosten van het onderhoud op de belastingplichtige drukken, rekening dient te worden gehouden met het recht op een niet aan de Nederlandse belastingheffing onderworpen uitkering ingevolge een buitenlandse kinderbijslagvoorziening;
d. uitgaven terzake van ziekte, invaliditeit, bevalling, adoptie en overlijden, als bedoeld in art. 46 lid 1 letter b en lid 3 van voornoemde wet, met inachtneming van de verder in art. 46 van deze wet met betrekking tot die uitgaven gegeven regels; hierbij dient voor het onzuivere inkomen te worden gelezen het onzuivere wereld-inkomen;
e. uitgaven ter zake van de opleiding of studie voor een beroep als bedoeld in art. 46 lid 1 letter c van de hiervoor genoemde wet, voorzover zij meer bedragen dan f 200, of zo dit minder is, een percent van het onzuivere wereld-inkomen.
Onder het hierbovenvermelde onzuivere wereld-inkomen wordt voor deze regeling verstaan het binnenlandse onzuivere-inkomen, vermeerderd met de voor de heffing van de inkomstenbelasting hier te lande niet belaste zuivere inkomsten en winsten van de buitenlandse belastingplichtige.
3. De in punt 2 bedoelde uitgaven komen in aftrek op het binnenlandse onzuivere inkomen. De aftrek wordt bepaald op het bedrag dat tot deze uitgaven in dezelfde verhouding staat als het binnenlandse onzuivere inkomen, verminderd met de onder art. 48 IB '64 vallende persoonlijke verplichtingen, staat tot het onzuivere wereld-inkomen verminderd met de laatstbedoelde persoonlijke verplichtingen.
4. Voorts keur ik goed dat het bepaalde in art. 63a lid 2 en in art. 65 lid 1 letter b en lid 4 IB '64, toepassing vindt ten aanzien van buitenlandse belastingplichtigen als bedoeld in punt 2 van deze aanschrijving.
Tevens kan de aanschrijving van 31 december 1974, B 74/27815, IB '65-517 - betreffende te laat ingediende aangiftebiljetten - worden toegepast.
5. Deze regeling treedt in werking met ingang van het jaar 1976. Voor wat betreft de in punt 2 onder c bedoelde uitgaven vindt deze regeling echter voor het eerst toepassing over het jaar 1980.